Nieuws

07 dec

Arbeidscontract: 0 of 36 uren?

Een vrouw is per 1 juni voor zes maanden bij een instelling in dienst getreden als zorgcoördinator. Ze werkt tegen een in de cao vastgesteld uurloon. Eind juli krijgt ze een betaling en een loonstrook over juni op basis van 156 loonuren. Op 31 augustus meldt ze zich ziek en ze werkt niet meer tot 1 december, de datum waarop haar contract eindigt. Tot die datum wil ze betaald worden. De werkgever weigert.

Rechtsvermoeden
Voor gevallen waarin de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is overeengekomen, biedt de wet een rechtsvermoeden. Als de arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt vermoed dat de bedongen arbeid een omvang heeft gelijk aan de gemiddelde arbeidsomvang per maand in de voorafgaande drie maanden. In dit geval levert dit niets op, aangezien mevrouw nog geen drie maanden had gewerkt.

Bewijs 36-urige werkweek
Hoe bewijst de vrouw dat sprake was van een arbeidsovereenkomst met een omvang van 36 uur per week? Ze komt met drie e-mails aan de boekhouder van werkgever waarin ze heeft geschreven dat zij een “36 uur contract” heeft. Daarop is noch door de boekhouder noch door werkgever ontkennend gereageerd. De loonstrook over de maand juli was aanvankelijk gebaseerd op 36 uur per week. Pas later is deze veranderd in een loonstrook met een voorschotbetaling. Uit de loonstrook over juni 2017 blijkt dat over die maand 156 uren zijn uitbetaald, wat neerkomt op 36 uur per week. Maar volgens de urenstaat had ze slechts 146 uren gewerkt. Als sprake zou zijn geweest van een oproepcontract, dan zou het voor de hand hebben gelegen dat 146 uren zouden zijn uitbetaald en niet 156 uren.

Het hof vindt het verder van belang dat in de praktijk niet werd gewerkt met een (oproep)rooster en geen sprake is geweest van daadwerkelijke oproepen. Mevrouw werkte elke dag, van maandag tot en met vrijdag. Hiermee staat voor het gerechtshof vast dat sprake is van een overeengekomen arbeidsomvang van 36 uur per week. Uitgangspunt is dan ook dat ze over de maanden juli en augustus 2017 aanspraak kan maken op een salaris dat is gebaseerd op een 36-urige werkweek, plus het over deze maanden pro rata opgebouwde vakantiegeld en de structurele eindejaarsuitkering.

Ziekteperiode
Over de periode tussen 1 september en 1 december bestrijdt de werkgever met succes dat sprake was van arbeidsongeschiktheid. Mevrouw heeft dus geen recht op loon tijdens haar ziekteperiode.

Aanzegvergoeding
Omdat aanzegging van het einde van haar tijdelijk contract niet heeft plaatsgevonden, eist mevrouw de zogenaamde aanzegvergoeding. De hoogte daarvan is gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand. De rechter kent deze vergoeding volledig toe.

Tip: Een model of conceptovereenkomst heeft geen bewijskracht. Zorg dus altijd voor een door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, ook of juist bij een nulurencontract.  

Lees meer
07 dec

Zelfstandig of loondienst: voortgang wet DBA

Zelfstandigen en hun opdrachtgevers willen graag duidelijkheid over de juridische en fiscale gevolgen van hun samenwerking. Het kabinet heeft belangrijke voorstellen gedaan om die duidelijkheid te bevorderen. Wat is de stand van zaken? Gaat er per 1 januari 2019 al iets wijzigen?

Hierover heeft de Kamer onlangs een brief ontvangen. In het kort gaat het om de volgende vier maatregelen:

Opdrachtgeversverklaring
Via een webmodule kunnen opdrachtgevers een opdrachtgeversverklaring verkrijgen, als uit beantwoording van de vragen blijkt dat er geen sprake is van een dienstbetrekking. De opdrachtgeversverklaring is geldig voor zover de webmodule naar waarheid is ingevuld en er in de praktijk dienovereenkomstig wordt gewerkt. De uitwerking hiervan ligt op schema en de verwachting is dat deze eind 2019 gereed is. Voor de zomer 2019 volgt hier meer informatie over. Dan wordt ook duidelijk of en hoe het tot 1 januari 2020 lopende uitstel van de handhaving een vervolg krijgt.   

Verduidelijking gezag
Zoals afgesproken in het regeerakkoord, wordt verduidelijkt wanneer er sprake is van een gezagsverhouding. Daarmee krijgen opdrachtgevers een handvat om zelf te beoordelen of er sprake is van een dienstbetrekking. Het gezagscriterium wordt verduidelijkt per 1 januari 2019 en opgenomen in het Handboek loonheffingen van de Belastingdienst. Uiterlijk per 1 januari 2019 wordt een uitgebreide toelichting in de vorm van een bijlage toegevoegd aan dit Handboek.

Arbeidsovereenkomst bij laag tarief (ALT)
Het is de bedoeling dat het straks niet meer mogelijk is om langdurig zelfstandigen in te huren tegen een laag tarief. Hiermee wordt beoogd aan de onderkant van de arbeidsmarkt schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan. Volgens het kabinet is er bij nader inzien een substantieel risico dat de ALTmaatregel strijdig is met EU-recht. Daarom gaat het kabinet ook alternatieve routes verkennen. Beoogd wordt de wetgeving voor de onder- en bovenkantmaatregelen in de eerste helft van 2019 uit te zetten voor internetconsultatie. In dat geval zal deze per 1 januari 2021 in werking kunnen treden.

Opt-out
Aan de bovenkant van de arbeidsmarkt komt er voor zelfstandig ondernemers onder voorwaarden een opt-out van de loonheffing en premies werknemersverzekeringen. Dit biedt opdrachtnemers aan de bovenkant van de arbeidsmarkt en hun opdrachtgevers extra zekerheid. De ALT en opt-out zullen samen in wetgeving worden vormgegeven.

Tip: Per 1 januari 2019 geeft een bijlage bij het Handboek loonheffingen u als opdrachtgever of zelfstandige meer houvast om zelf te kunnen bepalen of in uw geval sprake is van een gezagsverhouding.

Lees meer
07 dec

Arts ondernemer naast dienstverband?

Een arts staat in het BIG-register vermeld als arts en tandarts. Hij werkt in dienstbetrekking en wordt opgeleid tot kaakchirurg. Hij verricht daarnaast medisch specialistische werkzaamheden in een ziekenhuis, op basis van een contract met de maatschap mondziekten, kaak- en aangezichtschirurgie. De vraag is of deze werkzaamheden als zelfstandig ondernemer zijn verricht.

De arts diende voor de werkzaamheden op naam van de maatschap declaraties in bij de ziekenhuisadministratie. Die controleerde de declaraties, ondertekende die en stuurde die vervolgens door naar de zorgverzekeraar. Declaratie bij en betaling door de zorgverzekeraar geschiedde op basis van de verrichte medisch specialistische handelingen. Belanghebbende kreeg van het ziekenhuis vijftig procent van het bij de zorgverzekeraar gedeclareerde bedrag uitbetaald.

Volgens het gerechtshof is hierbij geen sprake van winst uit onderneming. De werkzaamheden zijn niet zelfstandig en voor eigen rekening en risico verricht. Bovendien was er geen ondernemersrisico.

Daar is de Hoge Raad, de hoogste rechter, het niet mee eens. De arts declareerde op naam van de maatschap en had geen eigen declaratierecht. Ook kreeg hij van de gedeclareerde bedragen “slechts” vijftig procent uitbetaald. Maar dat betekent nog niet dat van zelfstandigheid geen sprake is. Het gerechtshof had deze omstandigheden moeten beoordelen in samenhang met de vereisten van continuïteit en het lopen van ondernemersrisico. Maar over de continuïteit van de werkzaamheden heeft het gerechtshof niets vastgesteld. Verder is onduidelijk waarom het gerechtshof geen betekenis toekent aan het inkomensrisico dat de arts liep indien hij niet voor de werkzaamheden zou worden ingezet. Een ander gerechtshof mag de zaak gaan overdoen.

Let op: Na een ongunstig oordeel van de Belastingdienst kunt u in bezwaar bij de Belastingdienst zelf, dan in beroep bij de rechtbank, dan bij het gerechtshof en daarna naar de Hoge Raad. Soms verwijst die terug naar een ander gerechtshof. De volledige rechtsgang kost geld en tijd. Maar, soms is het belang groot genoeg. 

Lees meer
06 dec

Zwangere werkneemster moet zwangerschapsverklaring voortaan zelf bewaren

Zwangere werkneemster moet zwangerschapsverklaring voortaan zelf bewaren

Met ingang van 1 januari 2019 moeten uw zwangere werkneemsters zelf de verklaring bewaren van een arts of een verloskundige over de vermoedelijke bevallingsdatum. Op verzoek van het UWV moeten de werkneemsters deze verklaring kunnen overleggen. Daarmee wordt deze regeling gelijk aan de regeling bij zwangere zelfstandig onderneemsters en meewerkende echtgenoten. Dit is dus een administratieve lastenverlichting voor u als werkgever.

Tip
Informeer uw werkneemsters over deze wijziging, zodat zij dit in voorkomende gevallen voortaan zelf regelen met het UWV.

Lees meer
06 dec

Jeugd-LIV 2019

Jeugd-LIV 2019

De leeftijdsgrens voor het volwassen wettelijk minimumloon is in 2017 verlaagd van 23 naar 22 jaar en het wettelijk minimumloon voor 18- tot en met 21-jarigen is verhoogd. Vanaf 2018 kunt u recht hebben op een compensatie – het jeugd-LIV – voor deze laatstgenoemde groep. LIV staat voor het Lage-Inkomensvoordeel: een voordeel dat u voor werknemers uit de twee laagste inkomensgroepen kunt krijgen. Het jeugd-LIV hoeft u niet aan te vragen. Deze compensatie wordt namelijk vastgesteld aan de hand van de ingediende loonaangiften. De bedragen van de jeugd-LIV 2019 zijn:

Leeftijd op 31-12-2018 compensatie per verloond uur maximum per kalenderjaar
21 jaar                    € 0,91 € 1.892,80
20 jaar € 0,59 € 1.227,20
19 jaar € 0,16 €    332,80
18 jaar € 0,13 €    270,40

Tip
Zorg dat uw salarisadministrateur alle benodigde gegevens heeft om de juiste loonaangifte te doen, zodat u geen jeugd-LIV misloopt.

Lees meer
06 dec

Langer geboorte-, pleeg- en adoptieverlof

Langer geboorte-, pleeg- en adoptieverlof

Uw werknemers hebben sinds 1 januari 2019 langer verlof na de bevalling van hun partner. Fulltime werknemers hebben dan recht op vijf dagen geboorteverlof (voorheen: kraamverlof). Parttimers krijgen verlof naar rato van de arbeidsduur per week. U moet als werkgever tijdens dit verlof het volledige loon van de werknemer doorbetalen.
Vanaf 1 juli 2020 komt daar nog het aanvullend geboorteverlof bij. Dit aanvullend verlof duurt maximaal vijf keer de arbeidsduur per week. Tijdens dit verlof krijgt de werknemer een uitkering van het UWV van 70% van zijn/haar (maximum)dagloon.

Meer pleegzorg- en adoptieverlof
Uw werknemers hebben sinds 1 januari 2019 ook recht op twee weken langer pleeg- en adoptieverlof. Dit verlof wordt daardoor verlengd van maximaal vier naar zes weken.

Tip
Pas uw verlofadministratie aan op het extra geboorte-, pleegzorg-, en adoptieverlof.

Lees meer

Wij maken gebruik van cookies om er zeker van te zijn dat je onze website zo goed mogelijk beleeft.
Ik accepteer cookies van deze website.